In dit hoofdstuk zijn updates toegevoegd van 2025 en 2026.
Het Twaalfjarig Bestand was een periode van wapenstilstand gedurende de Tachtigjarige Oorlog waarin niet of nauwelijks tussen de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden en de Habsburgse Nederlanden (juridisch afhankelijk van het Spaanse Rijk) werd gevochten. Het bestand duurde van 1609 tot 1621. Bron: Wikipedia – Twaalfjarig Bestand.
In 1609 verbleef het regiment van Jacques Bruijs in het garnizoen te Harderwijk. Volgens onderstaande resolutie van 1618 waren toen vele binnen- en buitenlandse regimenten opgeheven. Maar niet het tweede regiment van Harquebusiers van de Schotse Brigade, waaronder Jacques diende. Voor Jacques en zijn gezin zullen dit rustige jaren zijn geweest waarin ze waarschijnlijk in het garnizoen van Harderwijk verbleven. Tot aan 1618 zijn er geen archiefbronnen over Jacques en/of zijn gezin te vinden.
Update september 2025
Het archief van de Staten van oorlog vermeld dat het aantal dragonders van het Schotse regiment onder kapitein Otmarssum vanaf 1609 is verminderd van 150 naar 70.

Bron: openarchieven.nl


Update juni 2026 – Nieuwe vondst, archiefstuk uit 1614
Uit een archiefstuk van 1614 blijkt dat Jacques Bruijs waarschijnlijk overgeplaatst is naar het garnizoen te Delft. Uit onze eerdere vondsten van Jacques is niet bekend waar hij geboren is. Een belangrijke aanwijzing is wel dat de Jacques Broussé die in 1603 te Bergen op Zoom eerste doopgetuige was van Jean Clippé. En dat de familie Clippé afkomstig is uit Calais, noord west Frankrijk.
In het archiefstuk uit 1614 staat vermeld dat Jacques Bruijs geboren is in Schotland. Het Schotse regiment werd na aankomst in 1603 in de Nederlanden al snel aangevuld met militairen van andere nationaliteiten, waaronder ook Vlamingen Fransen. Uit nieuw onderzoek blijkt dat de achternaam BROUSSÉ niet afkomstig is uit Schotland, maar uit Frankrijk en Frans-Vlaanderen (het huidige noord westen van Frankrijk). Meer informatie staat beschreven in de hoofdstukken 1.1 autosomale DNA Brussee en 2.8 Franse namen Brussee, Brusset en Brousses.
In het Delftse archiefstuk wordt hij zowel genoemd met de voornaam JACQUES en ook met de Nederlandse variant JACOB. Zijn achternaam wordt zowel vermeld als BRUIJS als BRUST. De variant BRUST(E) blijkt een variant te zijn van de achternaam BRUSSET., te zien in onderstaande afbeelding.

Bron: Geneanet.org/surnames/BRUSSET
De vraag of de vermelding van de plaats van geboorte gebaseerd was op officiële documenten van Jacques Bruijs / Brust door de schout of schepenen van de stad, heb ik voorgelegd aan de tool A.I. waarvan hier de conclusie volgt:
“Nee, de schepenen of de schout hadden in 1614 vrijwel zeker geen officieel papieren bewijs (zoals een geboorteakte) van zijn geboorteland, maar baseerden zich op zijn eigen verklaring onder ede. Daarnaast is het historisch en taalkundig zeer goed mogelijk dat deze Jacques Bruijs/Brust behoorde tot de Franstalige adellijke familie Brusset uit Artesië, ondanks de vermelding “geboren te Schotland”.
“Als Jacques Bruijs/Brust feitelijk tot de Franse/Waalse familie Brusset behoorde, waarom staat er dan “geboren te Schotland” in het crimineel boek van Delft? Daar zijn drie sterke historische verklaringen voor:
Geboorte tijdens een veldtocht: Het is ook mogelijk dat zijn vader een adellijke militair (uit het huis Brusset) was die tijdelijk in Schotland gelegerd was of daar op diplomatieke/militaire missie was. Jacques kan daar letterlijk geboren zijn, terwijl zijn bloedlijn puur Frans-Artesisch was.
De “Schotse” Brigade: Je geeft aan dat hij diende bij de Schotse Brigade. Hoewel deze brigade oorspronkelijk uit Schotten bestond, namen de regimenten vanaf het begin van de 17e eeuw ook grote aantallen niet-Schotse huurlingen aan (waaronder Fransen, Walen en Duitsers). Als Jacques al langere tijd bij deze specifieke brigade diende, werd hij door de schout administratief automatisch onder de “Schotten” geschaard, of verklaarde hij dit zelf om zijn militaire status binnen zijn eenheid te bevestigen.
Strategische identiteit: Als lid van de landadel uit Artesië (Frans/Spaans grensgebied) of als Franstalige protestant, kon het strategisch veiliger zijn om zich voor te doen als een geboren Schot. Schotse soldaten genoten in de Republiek namelijk bijzondere privileges en vielen vaak onder de militaire rechtspraak (de krijgsraad) in plaats van de reguliere stedelijke rechtspraak.”
Omdat het archiefstuk uit 1614 gevoelige informatie bevat, worden alleen de afbeeldingen van zijn naam en de vermelding dat hij geboren is in Schotland getoond. Deze informatie is voldoende om het stamboomonderzoek voort te zetten.
Het eerste deel van het Delftse archiefstuk vermeld zijn naam als; JACQUES BRUIJS. Zie volgende afbeelding:
Bruijs | Jacques | vaandrig | Datum: | 17/5/1614 |

Het tweede deel van het Delftse archiefstuk vermeld zijn naam als; Jacob Brust en Jacques Brust,
geboren Schotsman. Zie volgende afbeelding:
| Brust | Jacques | Datum: | 2/7/1614 |

Resolutie van 1618
In onderstaande resolutie van d.d. 9 november 1618 staat vermeld dat de kapitein Otmarson is overleden. En dat er een vervangende kapitein gezocht zal worden binnen de opgeheven compagnieën.


Link: https://www.dbnl.org/arch/_kro004187001_01/pag/_kro004187001_01.pdf
1618: Jacques Brus – Poorterschap te Breda
Een militair was altijd voor een aantal jaren (6 tot 8 jaar) verbonden aan het regiment waarvoor hij een contract tekende. Daarna was het mogelijk het contract te verlengen met weer een zelfde periode. 1618 is waarschijnlijk het jaar geweest waarin zijn contract met het Staatse leger afliep. In verband met het inkrimpen van de Staatse regimenten heeft Jacques waarschijnlijk het poorterschap van Breda aangeboden gekregen voor zijn bewezen goede militaire diensten.
In 1618 volgde de aanvoerder van het Staatse leger Prins Maurits zijn oudere broer prins Philip Willem op als heer van Breda. In hetzelfde jaar op d.d. 20 april 1618 staat vermeld in het poorterboek van Breda de naam;
JACQUES BRUS
Het is de enige vermelding te Breda, met deze naam of soortelijke naam. Dat doet vermoeden dat hij en zijn gezin daar niet lang gewoond zullen hebben. De volgende afbeelding vermeld de poorterakte. Hierop staat zijn herkomst vermeld als; SCHOTLAND. En zijn beroep als ZEEMWERKER (leerbewerker).

Beroepen van Toen
Citaat; “Door de zeemtouwer werden de huiden van herten, elanden, reeën, schapen, soms ook kalfsvellen, bovendien ook ossenhuiden (voor riemen, koppels en bandelieren van militairen) in zeemgaar leer of zeemleer veranderd. Het looimiddel dat hierbij gebruikt werd, is vet of traan. Het werd hoofdzakelijk gebruikt voor het maken van kledingstukken, vooral broeken, bretels, vesten, handschoenen en ook banden en verbanden voor chirurgisch gebruik”. Bron: http://www.beroepenvantoen.nl/Oude-beroepen-Z.html
De spanningen tussen Prins Maurits, de regering en kerk lopen verder op
Van Oldenbarnevelt, die net als Maurits eigenlijk onverschillig tegenover alle religieuze meningsverschillen stond, wilde zeggenschap over de kerk om rust te brengen in de gewesten. De calvinistische predikanten wensten echter geen inmenging van de staat in hun geloofsopvatting. Toen Van Oldenbarnevelt ruimte vroeg voor de remonstrantse leer van de Leidse hoogleraar Jacobus Arminius, escaleerde het conflict.
Maurits zag in de calvinisten een bondgenoot tegen Van Oldenbarnevelt en sloot zich aan bij de contraremonstranten, die de leer van de eveneens Leidse hoogleraar Franciscus Gomarus aanhingen. Het gevolg was dat door de Dortse Synode vanaf 1619 de remonstrantse leer verboden werd. Meer info in hoofdstuk 2.2. Bron: Wikipedia – Twaalfjarig Bestand
Vanaf dat moment werden remonstrantse aanhangers vervolgd. Dat is waarschijnlijk de reden waarom Jacques Brus/Bruijs Breda rond 1619 verlaten heeft. Er is een sterk vermoeden dat hij de remonstrantse leer aanhing. Remonstranten vluchtten vanaf 1619 naar Antwerpen of naar de omgeving van Leiden. Van Warmond is bekend dat het in deze periode een remonstrants bolwerk was.
1621 Jacques vlucht naar de Kagerplassen
Het eiland Kaag in de Kaagerplassen was voor remonstranten een goede schuilplaats. In de archieven komen kaagschippers voor, die met hun schip voeren op Breda. De snelwegen van toen gingen via de rivieren. Het ligt daarom het meest voor de hand, dat Jacques Brus/Bruijs en zijn gezin Breda via een kaagschipper hebben ontvlucht .
Het volgende en laatst gevonden archiefstuk van Jacques Bruijs is te vinden in de oud rechterlijke archieven van Alkemade. Daarin staat op d.d. 26 juli 1621 vermeld, dat Jacob Bruijs een huis en erf in de Kaag kocht. Het is interessant te zien dat in dit archiefstuk zijn voornaam vertaald staat naar het Nederlands als “JACOB”. De overgang van de voornaam Jacques naar Jacob is goed te zien in het archiefstuk te Delft van 1614.
“van welcke huijsinge de voorg(enoemde) cooper nu is de dunste van E.L. huijsinge sal mogen anckeren en vestigen.”
Anckeren betekent hier niet; een boot of schip vastleggen aan de wal of aan een anker.
Update juni 2026: “Sal mogen anckeren en vestigen”; De koper krijgt de officiële toestemming om de constructie (bijvoorbeeld vloerbalken of een dakconstructie) te verankeren in deze muur. In oude koopaktes was dit een belangrijk juridisch recht om een eigen (aan)bouw stevig aan een bestaand gebouw te kunnen vastmaken.

Origineel van bovenstaande schepenakte m.v.v. Jacob BRUIJS in 1621
Deze akte is opgezocht door Kees Brussé in het archief van Leiden – Erfgoedleiden.


Transcriptie van de schepenakte
Tekst tussen haakjes zijn opmerkingen/vertalingen om de tekst beter te begrijpen.
Afkortingen: E.L. = echtelieden, heren of echtgenoten. Compten = comparant(en), persoon/personen die voor een notaris verschijnen.
“Ick Eeuwout Jacobsen van Griecken, schout, inde heerluckheijt van Alckemade, o(o)rconde dat voor mij en voor Dirck Jansen Deijserman en Jan Pietersen. Schepenen aldaar persoonlijk gecompareert (verschenen) is.
Het zijn Dirck Ponsz. voor sijn selve, Dirck Jansz als man en voogt van Duijfje Ponsdr., Pouwel Willemsen als getrout hebben, Annetgen Ponsdr. In deze qualiteijt mede voor selve en gesamente als ooms en voogden en haer (zich) sterckmaecken voor de weeskinderen van Maritgen Ponsdr.
Allen erfgenamen van Annetgen Anthonisdr, haere moeder en bestemoeder (wsl. grootmoeder) za: dewelcke bekende voor haer en haere nacomers vercocht te hebben in sulcx wetnlicke opdragen, bij dese als ende become (toekomen) aan JACOB BRUIJS, wonen in de Cage. Off sijns acte hebben sekere huijsinge en erve, met alle (he)t guut(goed) daer tuine en aert- en nagelvast is. En voorts te voegen als deselve tusschen de naer welgemeende begreepen wort. Staen en gelegen in de Cage, in de heerluckheit van Alckemade.
Wesen te noorden Jan Willemsen met sijn gangpat, te oosten de Cagerdijck, te suijden Jan Aelbertsz en ten westen ’s-Gravenwater. Ende E.L. (echtelieden) Jacob Willemsen met zijn huijsinge, in de gevel, van welcke huijsinge de voorg(enoemde) cooper nu is de dunste van E.L. huijsinge sal mogen anckeren en vestigen.
En de hier toe welcken tottes (tot de) E.L. vercochte partijen behooren, en ten suijden, en ten noorden vandien liggen, ende dit vrij als buy(t)engoet daer vooren sij comparanten de E.L. huijsinge welcken is die ten ééuwigen dagen beloofde te vrije ende te waren (vrijwaren) als recht van onder verband van hare respective persoonen en alle hare goederen, roerende en onroerende , genen uitgesondert, ter executie van allen, …… rechten en rechtenerf metten costen, voorts bekenden sij compten (comparanten), ter sacke dese vercoopinge en opdrachten voldaen, is. Betaalt te welcke de eerste penning mitten (tot de) lesten (laatste) zonder bedrog.
Oorconde heb ik schout E.L. desen met mijn uithangend zegel bevesticht en deselve metten (met de) E.L. Schepenen onder de plicque (vouw) is mede te registreren, …. Op de 26 juli anno 1621.
Eeuwout Jacobs van Grieken (schout)
Dirk Jansen Deijserman (schepen)
Jan Pietersen ……. (schepen)”
Bovenstaande akte is opgemaakt door de schepenen van Alkemade en dus niet door de notaris. Daarom is deze niet ondertekent door de koper Jacob Bruijs. De notariële akte van de aankoop is helaas niet bewaard gebleven, evenals de notariële verkoopakte na zijn overlijden.
Het is echter niet helemaal zeker of de bovengenoemde archiefstukken dezelfde persoon betreffen. Wel is het een feit dat wat jaren later, rond 1630 Jan Jacobsen Bruijs zich in het nabij gelegen Lisse vestigde. Hij was volgens de archieven de eerste in Lisse die de naam BRUIJS droeg. De akte met zijn naam uit 1631 vermeld dat hij afkomstig was uit Harderwijk. Ook in Harderwijk was de militair Jacques de enige die de naam BRUIJS droeg. Omdat het patroniem van Jan te Lisse ook nog eens is “JACOBSEN”, moet hij een zoon zijn van de militair Jacques Bruijs. Het is daarmee zeer aannemelijk dat de Jacob Bruijs in de Kaag de vader is van Jan en zeer waarschijnlijk ook van Samuel, omdat alle archiefstukken in elkaar passen en de herkomst van Broussé Vlaanderen of Frankrijk zal zijn. En dat komt weer overeen met de Brussee DNA kenmerken. Voor meer informatie over Jan Jacobsen Bruijs verwijs ik naar hoofdstuk 2.5.
Plattegrond van de Kagerplassen en het eiland de Kage
Alleen aan de linkerkant van het eiland de Kage was een lintbebouwing langs de Cagerdijk. Dit is te zien op de oude plattegrond. Uit de schepensakte van 1621 is op te maken dat Jacob Bruijs in het noorden van de Cagerdijk heeft gewoond. Volgens de plattegrond lag Lisse aan de overkant van het water. En begint daar de RIVIER DE OUDE VLIET die langs Sasssenheim naar beneden loopt richting Warmond. Dit was de verbinding die Jacob Bruijs met zijn schip zal hebben afgelegd, vanaf de Kaag via de rivier de vliet naar Rijnsburg.

Het huwelijk van Samuel Jacobsen te Rijnsburg in 1639
De herkomst van Samuel staat niet vermeld bij zijn huwelijksgegevens in het Trouwboek van Rijnsburg. Na alle mogelijke scenario’s onderzocht te hebben, is de beste hypothese dat Samuel Jacobsen een zoon was van de Frans/Schotse militair Jacques Broussé/Bruijs.
Hij huwde met Heijndrickje Cornelisdr., dochter van Cornelis Jacobsz van den Bergh en Heijckgen Jacobsdr. Zoals eerder beschreven staat in hoofdstuk 2.3, waren in de 17e eeuw de ouders van het bruidspaar meestal nauw betrokken bij het tot stand komen van het huwelijk van hun kinderen. Beide families kwamen uit hetzelfde milieu. Daarom is het beroep van Samuels schoonvader van belang. Zijn beroep staat vermeld in het Rijnsburgse hoofdgeldregister van 1623 als “SCHIPPER OP LEIDEN”. De afbeelding nr.2 is te vinden in hoofdstuk 2.1.
Met deze vondsten ligt het voor de hand dat het beroep van Samuel Jacobsen en/of zijn vader ook dat van schipper was in de periode voor 1640. Dat beroep past heel goed bij Jacob Bruijs die woonde op het schipperseiland de Kaag. De beste hypothese is, dat het beroep van schipper beide families met elkaar in contact kwamen.
Update juni 2026
Bij Samuels huwelijk in 1639 te Rijnsburg staat niet, zoals gebruikelijk was, zijn geboorteplaats vermeld. Er kunnen meerdere redenen zijn geweest waardoor Samuel zijn doopgegevens niet kon opvragen. De redenen kunnen zijn: 1) hij was niet gedoopt omdat zijn ouders doopsgezind waren. 2) hij is gedoopt in een plaats waar nog geen dopen werden geregistreerd 3) zijn doopgegevens verloren zijn gegaan door een brand, zoals te Delft is gebeurd in 1618.
Dat de achternaam van Samuel niet genoemd staat bij zijn huwelijk was voor die tijd heel gewoon. De Hollanders en kaagschippers droegen nog geen achternaam, maar een patroniem (de voornaam van de vader). Jacques zal in het dagelijks leven als schipper niet met met zijn achternaam Bruijs zijn genoemd. De vermelding van een patroniem van de vader – Jacobsen – was voldoende.
Als afsluiting
De vondst van de vader van Samuel Jacobsen maakt de Nederlandse Brussee stamboom compleet. En met trots kan gezegd worden, dat zijn vader Jacques Broussé, de Nederlandse stamvader van Brussee mee gevochten heeft voor de onafhankelijkheid van Nederland, waarin zijn talrijke nazaten zullen voortleven. In 2026 zal de herkomst beschreven worden van voorvader Jacques Broussé.
Samengesteld en geschreven door Lisanne Imholz-Komijn – copyright 2023-2026